MARKANTE
DOCENTEN
Th. van
Swinderen, hoogleraar natuurkundige wetenschappen 1815-1851
'Hij was
niet vrij van een naïeve ijdelheid'
Sommige
docenten vergeet je niet: de hoogleraar die zo prachtig kon vertellen, de man
die zulke vreselijke
tentamens afnam, of de docente waar iedereen bij wegliep.
CHRISTIEN BOOMSMA
Een
karikatuur van zijn soort, wordt hij genoemd. Een man die als geleerde
tekortschoot, terwijl zijn pedagogische idealen achterhaald raakten. Theodorus
van Swinderen was de zoon van een gegoede burger uit de stad Groningen.
Hij was diep
religieus grootgebracht en doordrongen van christelijke verlichtingsidealen. Dat
ging zelfs zover, dat hij zich schuldig voelde dat hij geen theologie ging
studeren. Hij werd lid van het Nutsdepartement van Groningen "om de
mensheid schadeloos te stellen voor het nadeel dat hij haar meende te hebben
toegebracht door geen theologie te studeren".
Van
Swinderen wilde 'het volk opvoeden' en hij was vast van plan dat te doen als
hoogleraar. Hij vond zichzelf daar bijzonder geschikt voor. Maar na zijn
afstuderen in 1805, moest hij nog tien jaar werken als schoolopziener, voor hij
eindelijk de felbegeerde aanstelling kreeg. En dan nog niet als hoogleraar
filosofie, maar als professor in de natuurkundige wetenschappen.
Toch stortte
hij zich vol overgave op zijn missie. Hij besteedde weken en weken aan het
voorbereiden van zijn colleges, al kwam hij er al snel achter dat hij moest
oppassen andere, oudere hoogleraren niet op de tenen te trappen. "Het was
geenszins mijn oogmerk om hen in eenigen mate in den weg te zijn en zoude nimmer
eenige collegie aanslaan, voor ik wist dat zij het niet zouden houden."
Zijn
colleges over natuurlijke historie gaf hij in het Nederlands, wat in die tijd
nog heel bijzonder was. Bovendien introduceerde hij nog een noviteit: hij nam
voorbeelden van mineralen en gesteenten mee naar zijn colleges, om zijn verhaal
aanschouwelijk te maken voor de studenten. En dat moet een verademing geweest
zijn voor studenten die gewend waren een groot deel van de tijd ademloos de
Latijnse dictaten van hun docenten op te schrijven om pas thuis te kunnen
uitzoeken wat er feitelijk was gezegd.
"De
dinsdag na de middag, zonderde ik af om de studenten op de thee bij mij te
zien", zo schreef hij later. "Doch ook buiten dien tijd gaf ik hun
altijd vrijheid om bij mij te komen, met de herhaalde verzekering dat ik begreep
dat ik om hunnen wil hier gesteld was, dat dus geheel mijn tijd hun toebehoorde
en dat ik geene oogenblikken beter besteden konde dan door hun van dienst te
zijn." Zo, schrijft Van Swinderen, "won ik spoedig de achting en het
vertrouwen der studenten en ik had in dit geheele eerste jaar nooit een
oogenblik redenen, om over eenig student te onvreden te zijn."
In die
eerste jaren ging het inderdaad goed met Van Swinderen. Hij trok veel studenten,
wat heel belangrijk was, omdat studenten niet verplicht waren colleges te
volgen. De populariteit van zijn voordrachten betekende dus dat hij de studenten
wist te boeien. De Vindicat-almanak van 1816 bevat een rijmpje, waarin de
hoogleraar wordt beschreven als de man...
" ...die werkzaam voor ons heil, noch
tijd, noch moeite ontziet
aan wien het nuttig zijn de grootste vreugde biedt!
Vaar voort dan Edel Man, dit doelwit na te jagen.
En leef, voor Pallas kroost,
een lange areeks van dagen! "
Maar Van
Swinderens succes was geen lang leven beschoren. Naarmate hij ouder werd, liep
de belangstelling voor zijn colleges terug. Hij gaf colleges waarin hij
studenten voorhield hoe zich te gedragen "voor, gedurende en na het
college", maar veel succes lijken die niet te hebben gehad. Hij klaagde
over het wangedrag van studenten: hoe er velen enkel kwamen om de tijd te doden
en "allarm" te maken. Ze liepen weg tijdens het college, zelfs toen
Van Swinderen de ruimte zo inrichtte dat ze niet konden weggaan zonder hem te
passeren.
Ook als
wetenschapper slaagde hij er niet in om naam te maken. Hij versnipperde zijn
aandacht, zodat diepgang in zijn werk ontbrak. Als verzamelaar werd hij wel
bekend: hij bracht een enorme collectie bijeen voor het Museum van Natuurlijke
Historie. Toen hij aankwam, bestond de gehele verzameling uit één rugschild
van een schildpad. Maar zelfs op die verdienste klonk later kritiek. In 1872
klaagde een van zijn opvolgers dat Van Swinderen "alles op eenmaal"
had willen hebben. De kwaliteit was slecht en de verzameling werd bewaard in
slecht sluitende kasten, waardoor mot en torren vrij spel hadden. Eigenlijk was
de collectie van geen enkele waarde, werd gezegd. Van Swinderen, schreef
Huizinga later, was een tragische figuur. "Gelijk velen wier intellect niet
evenredig is aan hun ijver en welmenendheid, en die daarbij niet vrij zijn van
een naïeve ijdelheid."